Een open brief van Magali Le Clef : version française ici
Dit onderwerp houdt me al enkele jaren bezig. Ik heb zelf 27 jaar competitie gespeeld in het dameshockey, bij Herakles en Leuven, was tussen 1991 en 2006 actief bij de nationale ploeg en heb ook ervaring binnen het clubbeleid. Vandaag kijk ik bovendien naar het hockey als ouder van drie kinderen die competitief spelen.
De laatste tijd hoor ik steeds vaker verhalen over goede jeugdspelers: jongens die jarenlang bij de besten van hun generatie hoorden en hard voor hun hockey hebben gewerkt, maar uiteindelijk stoppen of niet langer competitief willen spelen. Dat zette me opnieuw aan het denken.
Want als jongens die echt goed kunnen hockeyen afhaken omdat ze onvoldoende perspectief zien, moeten we ons volgens mij vragen durven stellen. Niet om met de vinger te wijzen naar clubs, coaches of buitenlandse spelers, maar omdat het hockey de voorbije jaren sterk veranderd is.
Ik schrijf bewust alleen over de jongens. Bij meisjes en dames lijkt deze problematiek vandaag minder groot. Meisjes zijn op die leeftijd vaak sneller fysiek matuur en de huidige U19-competitie vangt de overgang naar senioren nog beter op. Dat kan uiteraard veranderen, maar vandaag ligt mijn focus op het herenhockey.
Ik hoor gelijkaardige verhalen bij verschillende clubs. Daarom wil ik proberen neer te schrijven wat volgens mij bij heel wat mensen leeft, maar waar we misschien nog te weinig open over spreken.
Het doel van dit schrijven is vooral om het debat opnieuw te openen.
Van U19 naar Heren 1: de kloof wordt steeds groter
De stap van U19 naar Heren 1 is altijd groot geweest. Heren spelen sneller, fysieker en tactisch op een ander niveau. Een jonge speler heeft tijd nodig om zich daaraan aan te passen.
Maar vandaag lijkt die kloof steeds groter te worden.
We investeren jarenlang in onze jeugd, trainen jongens intensief en begeleiden hen van U14 naar U16, U18 en uiteindelijk U19. We spreken voortdurend over talentontwikkeling en over de toekomst van ons hockey. Maar dan komt het moment waarop die jongens de stap naar het seniorenhockey moeten zetten.
En precies daar lijkt een steeds grotere groep tussen twee werelden te vallen.
De absolute parels vinden uiteindelijk meestal wel hun weg. Maar wat met de jongens die heel goed zijn, maar op hun achttiende of negentiende nog niet uitzonderlijk genoeg zijn om meteen een vaste plaats in Heren 1 te krijgen?
Wat met de speler die misschien nog twee of drie jaar nodig heeft om fysiek sterker te worden, ervaring op te doen en zich verder te ontwikkelen?
Voor die groep wordt het traject soms bijzonder lang, terwijl er tegelijk veel engagement van hen wordt verwacht.
Een speler kan vandaag goed genoeg zijn om mee te trainen met Heren 1, maar vervolgens drie, vier of zelfs vijf jaar moeten wachten op regelmatige speelminuten in wedstrijden.
En daar zit volgens mij een belangrijk probleem. Want hoe goed een speler ook traint: uiteindelijk ontwikkel je je ook door wedstrijden te spelen.
Training bereidt je voor op wedstrijden, maar wedstrijden op niveau maken je beter.
Je leert door fouten te maken wanneer het echt telt, door verantwoordelijkheid te krijgen, door tegen sterke heren te spelen en door te leren omgaan met de druk van een competitiewedstrijd.
Als die wedstrijden jarenlang nauwelijks komen, wordt het net moeilijker om de kloof ooit te dichten.
Het gat in Vlaanderen
Ik hoor vaak dat we in Vlaanderen geen satellietclubs meer kunnen organiseren, of dat dit vandaag moeilijk wordt gemaakt. Daar ken ik de precieze regelgeving onvoldoende voor. Maar in de praktijk is er wel een verschil: verschillende clubs in Wallonië werken nog met een satellietclub, terwijl die mogelijkheid in Vlaanderen verdwenen is.
Daardoor bestaan er in Wallonië meer mogelijkheden voor een jonge speler om ervaring op te doen op een ander niveau, bijvoorbeeld in Nationaal 1, zonder dat zijn volledige ontwikkeling bij zijn oorspronkelijke club hoeft te stoppen.
Van club veranderen is bovendien voor een jonge speler niet altijd zo eenvoudig. Clubverbondenheid is belangrijk in onze sport. Daarnaast zijn er school of universiteit, vrienden en familie. Hockey is geen professioneel voetbal waarbij jonge spelers zomaar worden uitgeleend en volledig professioneel worden begeleid bij een andere ploeg.
We moeten dus vooral nadenken over hoe we binnen het bestaande hockeylandschap meer mogelijkheden kunnen creëren om wedstrijden op niveau te spelen, zonder dat jonge spelers daarvoor noodzakelijk hun club moeten verlaten.
Satellietclubs kunnen daarin een rol spelen, maar er zijn ook andere mogelijkheden. Clubs zouden meer kunnen samenwerken of regionale ontwikkelingsploegen kunnen opzetten. Een U21- of U23-competitie op zaterdag lijkt me bijvoorbeeld een interessante piste. Jonge spelers kunnen er op niveau wedstrijden spelen, terwijl de coach van Heren 1 hen aan het werk kan zien en hun ontwikkeling beter kan opvolgen.
Een andere mogelijkheid is clubs opnieuw toe te laten een tweede ploeg te hebben die kan promoveren naar Nationaal 1 (D1). Zo zouden spelers, afhankelijk van hun ontwikkeling en de noden van de eerste ploeg, flexibeler tussen D1 en de Eredivisie (DH) kunnen bewegen. De ene week kunnen ze ervaring opdoen in D1, terwijl ze op een ander moment aansluiten bij Heren 1. Zo krijgen ze meer wedstrijdritme en blijft de stap naar het hoogste niveau beter overbrugbaar, zonder dat ze hun club moeten verlaten.
De Open League lijkt me op zichzelf geen afdoende oplossing. Het niveauverschil met de eerste ploeg is vaak te groot en de aansluiting met het hockey dat in Heren 1 wordt gespeeld, blijft beperkt. Wie de ambitie heeft om in Heren 1 te spelen, heeft wedstrijden nodig die hem daadwerkelijk voorbereiden op dat niveau.
Het uitgangspunt moet eenvoudig zijn: een jonge speler moet zich kunnen blijven ontwikkelen, ook wanneer hij nog niet klaar is voor Heren 1.
Wat verwachten we eigenlijk van onze jeugd?
We vragen vandaag veel van jonge spelers. Ze trainen meerdere keren per week, spelen wedstrijden en combineren dat met school, examens en later universiteit of werk. Ze moeten hun planning aanpassen en soms keuzes maken die verder gaan dan alleen een training of wedstrijd.
Een vakantie in september, vlak voor de start van de universiteit, wordt moeilijk omdat de voorbereiding al volop bezig is. Een lesvrije week is niet meer vanzelfsprekend. Een skivakantie vraagt overleg. En een paar dagen weg met vrienden of familie kan botsen met trainingen, stages of wedstrijden. Dit geldt uiteraard ook voor onze jonge meisjes.
Op zich hoort dat bij topsport en bij de ambitie om op hoog niveau te spelen. Wie voor Heren 1 wil spelen, weet dat daar engagement bij hoort.
Maar dat engagement moet volgens mij wel in verhouding staan tot het traject dat een speler krijgt.
Wanneer een jonge speler jarenlang wordt gevraagd te leven en trainen als een Heren 1-speler, maar op zondag nauwelijks speelminuten krijgt, ontstaat er een moeilijke situatie.
Hij past zijn vakanties en plannen aan, staat meerdere keren per week op het veld en probeert zich voortdurend te bewijzen. Dat kan één seizoen zijn, maar soms ook drie, vier of vijf jaar.
Als daar weinig duidelijkheid tegenover staat over zijn ontwikkeling en perspectief, wordt het steeds moeilijker om dat engagement vol te houden.
Vroeger wist een jonge speler misschien iets duidelijker waarvoor hij bepaalde zaken opgaf: hij kreeg kansen, speelde wedstrijden en voelde dat hij iets aan het opbouwen was.
Vandaag kan een speler soms jarenlang intensief meetrainen zonder veel wedstrijdritme op het niveau waarop hij uiteindelijk geacht wordt door te groeien.
Daarom denk ik dat beleid, flexibiliteit en communicatie een veel belangrijkere rol kunnen spelen. Zeker voor jongens die nog weinig speelminuten krijgen en nog een lange ontwikkelingsweg voor zich hebben. We willen dat zij ambitieus blijven, maar ook mentaal fris en gemotiveerd.
En dan is er communicatie.
Een jongen van 18 of 19 hoeft niet te horen dat hij volgend seizoen zeker in Heren 1 zal spelen als dat niet realistisch is. Maar hij verdient wel een eerlijk gesprek.
Waar sta ik vandaag? Wat moet ik verbeteren? Wat verwacht de club van mij? Wat kan ik de komende twee jaar bereiken? En vooral: wat is mijn traject?
Een duidelijk ontwikkelingsplan over meerdere jaren kan volgens mij veel onzekerheid voorkomen. Niet de belofte dat iemand Heren 1 zal halen, maar wel duidelijkheid over de weg ernaartoe.
Een speler kan best begrijpen dat hij vandaag nog niet klaar is voor Heren 1, als hij weet waarom, als hij weet wat hij moet verbeteren en als hij voelt dat er een plan is om hem verder te ontwikkelen.
En dan zijn er de buitenlandse spelers
Het niveau van onze competitie is de voorbije jaren sterk gestegen. Clubs willen winnen, investeren in hun eerste ploeg en doen steeds vaker een beroep op buitenlandse spelers.
Buitenlandse spelers brengen kwaliteit, ervaring en een andere hockeycultuur mee. Ze kunnen jonge Belgische spelers beter maken en het niveau van onze competitie verhogen.
Maar we moeten volgens mij wel durven nadenken over het evenwicht.
De echte Belgische parels vinden meestal nog wel een plaats, al gaat dat misschien minder snel dan vroeger. Maar een brede groep goede Belgische spelers krijgt het steeds moeilijker om tussen 18 en 23 jaar voldoende ervaring op het hoogste niveau op te doen.
En net die groep zouden we op langere termijn wel eens hard nodig kunnen hebben.
Het gevaar is dat we stilaan een model krijgen waarin de samenstelling van onze ploegen steeds meer doet denken aan het internationale voetbal, terwijl we tegelijk vasthouden aan een hockeycultuur waarin opleiding, clubverbondenheid en ontwikkeling centraal staan. Die combinatie vraagt om een nieuw evenwicht.
Misschien moeten we daarom nadenken over structurele maatregelen. Bijvoorbeeld over een limiet op het aantal buitenlandse spelers dat op een wedstrijdblad kan staan, of over andere mechanismen die clubs stimuleren om voldoende ruimte te blijven geven aan eigen opgeleide spelers.
Misschien kunnen we ook inspiratie halen uit Australië, waar naast de reguliere clubcompetitie een kortere topcompetitie bestaat met de beste spelers, onder wie buitenlandse spelers. Daarnaast zijn er regionale teams die talenten uit verschillende clubs samenbrengen.
Zou zo’n model ook bij ons kunnen werken? De clubcompetitie blijft dan de basis voor de ontwikkeling van eigen jeugd, terwijl een aparte topcompetitie het hoogste niveau samenbrengt en regionale selecties extra kansen bieden aan jonge Belgische spelers.
De fundamentele vraag is: wat willen we op lange termijn? Willen we vandaag de sterkst mogelijke eerste ploeg samenstellen, of willen we daarnaast ook voldoende ruimte behouden om Belgische spelers te laten doorgroeien?
Die twee doelstellingen hoeven elkaar overigens niet noodzakelijk uit te sluiten. Maar het evenwicht ontstaat niet vanzelf.
Effect op de nationale ploegen op termijn?
Een sterke nationale ploeg wordt niet alleen gebouwd met een paar uitzonderlijke parels. Je hebt een brede groep goede spelers nodig die op hoog niveau wedstrijden spelen, zich ontwikkelen en elkaar voortdurend uitdagen.
Concurrentie maakt spelers beter. Als we een steeds grotere groep Belgische spelers tussen 18 en 23 jaar onvoldoende kansen geven om op hoog niveau wedstrijden te spelen, wordt onze vijver kleiner.
Misschien merken we daar vandaag nog niet veel van. Maar wat over vijf of tien jaar? Wat als een hele generatie goede spelers jarenlang onvoldoende ervaring heeft kunnen opdoen op het hoogste seniorenniveau?
Hoeveel spelers zullen dan nog klaarstaan om de stap naar de nationale ploeg te zetten? En hoeveel talent zijn we onderweg misschien verloren?
We hebben met BeGold intussen een mooie en belangrijke structuur uitgebouwd. Maar ook daar is de realiteit veranderd. Door de evolutie van het hockey en het groeiende aantal spelers zijn er vandaag veel jongeren die een vergelijkbaar niveau halen, maar niet in de BeGold-selecties terechtkomen.
Een speler die niet geselecteerd wordt voor BeGold, is daarom niet automatisch een speler zonder toekomst. Omgekeerd is een BeGold-selectie ook geen garantie dat een speler uiteindelijk in Heren 1 of bij de nationale ploeg terechtkomt.
Talentontwikkeling stopt niet bij één selectie, en een gemiste kans op jonge leeftijd hoeft niet het einde van een hockeytraject te betekenen. Ook daarom is het belangrijk dat spelers na U19 voldoende mogelijkheden behouden om zich verder te bewijzen.
Misschien kan er structureel iets aangepast worden?
Ik denk daarom dat dit geen probleem is dat één club, één coach of één generatie spelers alleen kan oplossen.
We moeten als hockey nadenken over de overgang van U19 naar Heren 1.
Kunnen we meer mogelijkheden creëren voor jonge spelers om wedstrijden op niveau te spelen? Kunnen clubs en de bond daar structureel meer in samenwerken? Hebben we nood aan een echte U21- of U23-competitie die de brug tussen jeugd en senioren kleiner maakt? Kunnen we clubs de mogelijkheid geven om met een tweede ploeg op een hoger niveau te spelen, zodat jonge spelers gemakkelijker tussen D1 en DH kunnen doorgroeien?
Een andere, meer directe mogelijkheid is om op het wedstrijdblad niet langer 16, maar 18 spelers toe te laten. Zo kan een coach bijvoorbeeld een jonge doelman of veldspeler meenemen in de wedstrijdselectie. Ook als die speler uiteindelijk niet op het veld komt, kan het bijzonder motiverend zijn om deel uit te maken van de wedstrijdselectie, de voorbereiding mee te maken en de sfeer van Heren 1 van dichtbij te ervaren. Het geeft een jonge speler het gevoel dat de club in hem investeert en dat hij deel uitmaakt van een traject. Uiteraard vervangt dit geen effectieve speelminuten, maar het kan wel een laagdrempelige stap zijn om jongeren dichter bij de eerste ploeg te brengen en hun motivatie te versterken.
Kunnen we het engagement dat we van jonge spelers verwachten beter afstemmen op het perspectief en de kansen die ze krijgen?
Kunnen we ervoor zorgen dat een speler niet vijf jaar in een wachtkamer zit, maar gedurende die jaren daadwerkelijk blijft groeien?
Niet iedereen zal uiteindelijk Heren 1 halen. Dat hoeft ook niet.
Maar iedereen die serieus investeert in zijn hockey verdient wel duidelijkheid over zijn traject en voldoende mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen.
Een sterk hockeyland heeft niet alleen een paar uitzonderlijke parels nodig. Het heeft een brede vijver nodig waarin die parels kunnen groeien.
De kaarten zijn veranderd. Het niveau is hoger, de competitie is internationaler geworden en de weg van U19 naar Heren 1 is langer en moeilijker geworden.
Als de kaarten veranderd zijn, moeten we misschien ook de regels en onze manier van werken durven aanpassen, bij de clubs én bij de bond.
Magali Le Clef













